De laatste loodjes

// 2 februari 2012

Je zou zeggen dat we nu toch wel klaar zijn met de hoofd- en kleine letters in het Nederlands, maar we zijn er nog niet helemaal. We hebben nu in vier delen de belangrijkste regels behandeld en we hebben gezien dat die regels nog niet zo gemakkelijk zijn. Het onderscheid tussen eigennaam en soortnaam speelt een grote rol, maar wanneer een eigennaam een soortnaam wordt, is vaak lastig aan te geven en dat heeft weer gevolgen voor het gebruik van hoofd- of kleine letters.

Dit laatste deel is gewijd aan een paar categorieën die nog niet aan bod zijn gekomen.

Losse letters

Soms komen de letters van het alfabet ook apart voor als los woord of als onderdeel van een samenstelling. Ook dan maken we onderscheid tussen hoofd- en kleine letter.

  • Hoofdletters gebruiken we in twee gevallen. 1. De vorm van die hoofdletter speelt een rol: O-benen, T-shirt, V-formatie; 2. Er is sprake van een classificatie, ordening of evaluatie: C-schijf, E-nummer, Y-chromosoom.
  • Kleine letters komen voor als de klank of de letter uit het alfabet zelf een rol speelt (dit noemen we ook wel de 'zelfnoemfunctie'): van a tot z, de puntjes op de i, een x-aantal, de y-as.

Hemellichamen en sterrenbeelden

De zon, maan en de sterren krijgen een kleine letter (niets nieuws onder de zon hier), maar hemellichamen en sterrenbeelden worden als eigennaam beschouwd en krijgen daarom een hoofdletter: Melkweg, Boogschutter.

Dieren en planten

Soms zie je dieren- en plantennamen met een hoofdletter geschreven, maar het zijn toch echt soortnamen en dus schrijf je ze in het Nederlands met kleine letters. Hoofdletters komen alleen voor als:

  • er een aardrijkskundig bijvoeglijk naamwoord of de bezitsvorm van een persoon voor staat: Duitse herder, Temmincks strandloper;
  • je de Latijnse benaming gebruikt: Vulpes vulpes (en dan alleen bij het eerste woord).

Scheldwoorden en vloeken

Altijd kleine letters. Eindelijk eens iets wat makkelijk te onthouden is! Dat het nu net met deze categorie moet gebeuren… Een scheldwoord of een denigrerende uitdrukking voor iemand uit een bepaalde streek zijn vaak afleidingen: verdomme, tukker, kaaskop.

Duitse woorden

In Duitsland schrijf je zelfstandige naamwoorden altijd met een hoofdletter, maar zodra ze de grens overgaan naar ons, is de eigennaam-/soortnaamregel van toepassing en vervalt de hoofdletter vaak: schnitzel, fingerspitzengefühl. Alleen als het echt om een eigennaam gaat, blijft de hoofdletter behouden: Das Kapital, Kristallnacht.

Conclusie

Kortom: de regels rond het gebruik van hoofd- en kleine letters zijn goed bedoeld, maar soms zorgen ze voor meer verwarring dan duidelijkheid. In principe draait het om het onderscheid tussen eigennaam (hoofdletter) en soortnaam (kleine letter), maar wanneer wordt een eigennaam een soortnaam? Wie bepaalt of er iets genoeg ingeburgerd is om tot de soortnamen toegelaten worden? Bovendien worden soms soortnamen als eigennamen behandeld (Joost mag het weten) en eigennamen als soortnamen (ministerie van Buitenlandse Zaken).
Ik heb mijn best gedaan jullie de regels zo goed mogelijk uit te leggen; het zij jullie echter vergeven als jullie er nog steeds niet veel van begrijpen. Dat doe ik soms ook niet. Maar wees niet getreurd: hoewel ik de regels soms een beetje vreemd vind, ken ik ze wel en pas ik ze ook keurig toe – of ik het ermee eens ben of niet. Leef in tekst brengt teksten tot leven – en houdt de hoofd- en kleine letters een beetje in toom!