Letters en cijfers

// 3 maart 2012

Inmiddels zijn jullie expert op het gebied van hoofdletters en kleine letters in het Nederlands. Tijd voor een nieuw onderwerp! De volgende blogserie staat in het teken van letters en cijfers. Wanneer schrijf je nu een c en wanneer een k? Waarom zijn zowel tijdverschil als tijdsverschil goed? En hoe zit dat met de n in pannenkoek? Je hebt toch maar één pan nodig? Wanneer mag je getallen voluit schrijven? Dat ga ik jullie allemaal de komende tijd vertellen.

Letterparen

Laten we beginnen met de letterparen c-k, f-v en s-z. Hoewel de meesten van ons wel weten wanneer je welke letter in welk woord gebruikt, kom ik bij Leef in tekst nog steeds af en toe electriciteit, fotograven en laarsen tegen. Vandaar toch deze korte opfriscursus!

C of k?

De c is een bijzondere letter. Soms spreken we het uit als een [s] en soms als een [k]. De 'problemen' treden vaak op bij de c-woorden met een [k]-uitspraak. Want het blijft een beetje raar: je spreekt iets anders uit dan je ziet staan. Hoe zit dat nu? De meeste woorden met een c zijn leenwoorden. Voor leenwoorden geldt over het algemeen de regel dat hoe bekender een leenwoord in het Nederlands is, hoe groter de kans dat het zich ook Nederlands gaat 'gedragen': de letter c – die je toch al als een [k] uitsprak – wordt de letter k. Zo kennen we nu oktober (was eerst october) en elektrisch (was eerst electrisch).
Maar het Nederlands zou het Nederlands niet zijn als er geen addertje onder het gras zat. Bij de woorddelen -act-, -ect-, -ict-, -oct-, -uct-, -caat, -catie en de voorvoegsels eco-, loco-, micro- en macro- behouden we de c, vandaar: product, insect, locatie (maar dus wel: lokaal), tractor en micro-organisme, ecobiologisch.
Sommige woorden leveren zelfs betekenisverschil op: een corps is een studentenvereniging en een korps is een troepeneenheid, muziekkorps of een lettergrootte; een criticus is kritisch, dat was een spectaculair spektakel.
De 'regel' dat een leenwoord zich Nederlands gaat gedragen en zelfs zijn spelling aanpast, gaat dus niet altijd op – maar het zou de oplettende lezer van mijn blog inmiddels niet meer moeten verbazen dat de Nederlandse taal graag de regeltjes negeert.

F of v?

De meeste woorden in het Nederlands die eindigen op een -f krijgen een -v in het meervoud: dief – dieven. Dit geldt echter niet voor woorden van Griekse herkomst, die behouden de -f. De meeste Griekse woorden zijn eenvoudig te herkennen: ze eindigen in het enkelvoud op -aaf of -ief: apocrief – apocriefen, cenotaaf – cenotafen. Functies op -graaf en -soof hanteren dezelfde regel: geograaf – geografen, antroposoof – antroposofen. (Dit geldt overigens niet voor een 'adellijke' graaf: burggraaf – burggraven).

S of z?

Bij woorden op een -s is in het meervoud net zo iets dergelijks aan de hand als bij woorden op een -f. De meeste woorden op een -s krijgen een -z in het meervoud: baas – bazen, hoes – hoezen. Je hoort duidelijk een z in de meervoudsvorm. Bij sommige woorden hoor je in het meervoud echter nog steeds een s. Als je de s nog duidelijk hoort, blijft de s behouden: lans – lansen, pols – polsen (maar dus wel: hals – halzen). In enkele gevallen zijn beide meervoudsvarianten goed, omdat beide varianten frequent voorkomen: saus – sausen/sauzen. Heel enkel is er duidelijk sprake van betekenisverschil: kruisen (paal met dwarshout) zijn geen kruizen (als muziekteken).

Zelfs op letterniveau zie je dat het Nederlands een lastige taal is. Leenwoorden passen zich aan op enkele uitzonderingsgevallen na, maar tot die laatste gevallen horen weer zo veel woorden dat de hoofdregel eigenlijk in het niets verdwijnt. En een regel die gebaseerd is op de uitspraak leidt ook vaak tot onduidelijkheid: een echte Hagenees zegt volgens mij geen bazen maar basen